Christ unser Herr zum Jordan kam (BWV 7)


1. KORAAL
Christ unser Herr zum Jordan kam
Nach seines Vaters Willen,
Von Sankt Johanns die Taufe nahm,
Sein Werk und Amt zu erfüllen;
Da wollt er stiften uns ein Bad,
Zu waschen uns von Sünden,
Ersäufen auch den bittern Tod
Durch sein selbst Blut und Wunden;
Es galt ein neues Leben.

2. ARIA (B)
Merkt und hört, ihr Menschenkinder,
Was Gott selbst die Taufe heißt!
   Es muß zwar hier Wasser sein,
   Doch schlecht Wasser nicht allein.
   Gottes Wort und Gottes Geist
   Tauft und reiniget die Sünder.

3. RECITATIEF (T)
Dies hat Gott klar
Mit Worten und mit Bildern dargetan,
Am Jordan ließ der Vater offenbar
Die Stimme bei der Taufe Christi hören;
Er sprach: Dies ist mein lieber Sohn,
An diesem hab ich Wohlgefallen,
Er ist vom hohen Himmelsthron
Der Welt zugut
In niedriger Gestalt gekommen
Und hat das Fleisch und Blut
Der Menschenkinder angenommen;
Den nehmet nun als euren Heiland an,
Und höret seine teuren Lehren!

4. ARIA (T)
Des Vaters Stimme ließ sich hören,
Der Sohn, der uns mit Blut erkauft,
Ward als ein wahrer Mensch getauft.
Der Geist erschien im Bild der Tauben,
Damit wir ohne Zweifel glauben,
Es habe die Dreifaltigkeit
Uns selbst die Taufe zubereit'.

5. RECITATIEF (B)
Als Jesus dort nach seinen Leiden
Und nach dem Auferstehn
Aus dieser Welt zum Vater wollte gehn,
Sprach er zu seinen Jüngern:
Geht hin in alle Welt und lehret alle Heiden,
Wer glaubet und getaufet wird auf Erden,
Der soll gerecht und selig werden.

6. ARIA (A)
Menschen, glaubt doch dieser Gnade,
Daß ihr nicht in Sünden sterbt,
Noch im Höllenpfuhl verderbt!
Menschenwerk und -heiligkeit
Gilt vor Gott zu keiner Zeit.
Sünden sind uns angeboren,
Wir sind von Natur verloren;
Glaub und Taufe macht sie rein,
Daß sie nicht verdammlich sein.

7. KORAAL
Das Aug allein das Wasser sieht,
Wie Menschen Wasser gießen,
Der Glaub allein die Kraft versteht
Des Blutes Jesu Christi,
Und ist für ihm ein rote Flut
Von Christi Blut gefärbet,
Die allen Schaden heilet gut
Von Adam her geerbet,
Auch von uns selbst begangen.

.



Christus, onze Heer, kwam naar de Jordaan
volgens de wil van zijn Vader.
Van Sint Johannes ontving hij de doop,
om zijn werk en ambt te vervullen;
hij wilde ons een bad schenken,
om onze zonden af te wassen,
en ook de bittere dood te verdrinken
door zijn eigen bloed en wonden;
een nieuw leven werd van kracht.



Merk op en hoor, o mensenkinderen,
wat God zelf onder de doop verstaat.
Er moet weliswaar water zijn,
maar niet alleen maar simpel water:
het is Gods Woord, het is Gods Geest
die de zondaren doopt en reinigt.


Dit heeft God helder
met woorden en beelden duidelijk gemaakt.
Bij de Jordaan liet de Vader openlijk
zijn stem bij de doop van Christus horen;
hij sprak: Deze is mijn geliefde Zoon,
in hem heb ik welbehagen;
hij is van de hoge, hemelse troon
voor het welzijn van de wereld
in nederige gestalte gekomen
en heeft het vlees en bloed
van de mensenkinderen aangenomen.
Neemt hem nu als uw Heiland aan
en hoort zijn kostbare onderwijzingen!


De stem van de Vader liet zich horen;
de Zoon, die ons heeft vrijgekocht met zijn bloed,
werd echt, als mens, gedoopt;
de Geest verscheen in de gedaante van de duif –
opdat wij zonder twijfel geloven,
dat de Drieëenheid zelf
ons de Doop heeft toebereid.


Toen Jezus na zijn lijden
en na de verrijzenis
uit deze wereld naar de Vader wilde gaan,
sprak hij tot zijn leerlingen:
Ga uit over de hele wereld en leer alle volken,
wie op aarde gelooft en gedoopt wordt,
die zal gerechtvaardigd en zalig worden.


Mensen, geloof toch deze genade,
dat u niet in de zonden sterft
noch in de hellepoel ten onder gaat!
Mensenwerk en -heiligheid
gelden nooit voor God.
Zonden zijn ons aangeboren,
wij zijn van nature verloren;
geloof en doop maken ze rein,
zodat ze ons niet zullen verdoemen.


Het oog ziet louter water,
zoals mensen water gieten;
het geloof alleen verstaat de kracht
van het bloed van Jezus Christus:
voor het geloof is het water een rode vloed,
– door Christus’ bloed gekleurd –
die alle schade herstelt
die wij van Adam hebben geërfd
en ook die wij zelf hebben aangericht.