Es ist das Heil uns kommen her (BWV 9)


1. KORAAL
Es ist das Heil uns kommen her
Von Gnad und lauter Güte.
Die Werk, die helfen nimmermehr,
Sie mögen nicht behüten.
Der Glaub sieht Jesum Christum an,
Der hat gnug für uns all getan,
Er ist der Mittler worden.

2. RECITATIEF (B)
Gott gab uns ein Gesetz,
doch waren wir zu schwach,
Daß wir es hätten halten können.
Wir gingen nur den Sünden nach,
Kein Mensch war fromm zu nennen;
Der Geist blieb an dem Fleische kleben
Und wagte nicht zu widerstreben.
Wir sollten in Gesetze gehn
Und dort als wie in einem Spiegel sehn,
Wie unsere Natur unartig sei;
Und dennoch blieben wir dabei.
Aus eigner Kraft war niemand fähig,
Der Sünden Unart zu verlassen,
Er mocht auch alle Kraft zusammenfassen.

3. ARIA (T)
Wir waren schon zu tief gesunken,
Der Abgrund schluckt uns völlig ein,
    Die Tiefe drohte schon den Tod,
    Und dennoch konnt in solcher Not
    Uns keine Hand behülflich sein.

4. RECITATIEF (B)
Doch mußte das Gesetz erfüllet werden;
Deswegen kam das Heil der Erden,
Des Höchsten Sohn, der hat es selbst erfüllt
Und seines Vaters Zorn gestillt.
Durch sein unschuldig Sterben
Ließ er uns Hülf erwerben.
Wer nun demselben traut,
Wer auf sein Leiden baut,
Der gehet nicht verloren.
Der Himmel ist vor den erkoren,
Der wahren Glauben mit sich bringt
Und fest um Jesu Arme schlingt.

5. ARIA/DUET (S,A)
Herr, du siehst statt guter Werke
Auf des Herzens Glaubensstärke,
Nur den Glauben nimmst du an.
    Nur der Glaube macht gerecht,
    Alles andre scheint zu schlecht,
    Als daß es uns helfen kann.

6. RECITATIEF (B)
Wenn wir die Sünd aus dem Gesetz erkennen,
So schlägt es das Gewissen nieder;
Doch ist das unser Trost zu nennen,
Dass wir im Evangelio
Gleich wieder froh
Und freudig werden:
Dies stärket unsern Glauben wieder.
Drauf hoffen wir der Zeit,
Die Gottes Gütigkeit
Uns zugesaget hat,
Doch aber auch aus weisem Rat
Die Stunden uns verschwiegen.
Jedoch, wir lassen uns begnügen,
Er weiß es, wenn es nötig ist,
Und brauchet keine List
An uns; wir dürfen auf ihn bauen
Und ihm allein vertrauen.

7. KORAAL
Ob sichs anließ, als wollt er nicht,
Laß dich es nicht erschrecken;
Denn wo er ist am besten mit,
Da will ers nicht entdecken.
Sein Wort laß dir gewisser sein,
Und ob dein Herz spräch lauter Nein,
So laß doch dir nicht grauen.

.



Het heil is naar ons toe gekomen,
het heil van genade en louter goedheid.
Goede werken helpen nooit,
die kunnen ons niet beschermen.
Het geloof kijkt naar Jezus Christus,
die heeft ons allen genoeggedaan,
hij is de middelaar geworden.


God heeft ons een wet gegeven,
maar wij waren te zwak
om ons eraan te kunnen houden.
Wij joegen slechts de zonden na,
geen mens kon vroom worden genoemd;
de geest bleef aan het vlees kleven
en durfde zich niet te verzetten.
Wij moesten volgens wetten leven
en daar als in een een spiegel zien
hoe verdorven onze aard was,
en toch volhardden wij erin.
Uit eigen kracht was niemand in staat
de ondeugd van de zonden te verlaten,
hoezeer hij zich ook inspande.


Wij waren al te diep gezonken,
de afgrond slokte ons volkomen op,
de diepte dreigde al met de dood,
en toch kon in die nood
geen hand ons helpen.


Toch moest de wet worden vervuld,
daarom kwam het heil der aarde,
de zoon van de Allerhoogste; hij vervulde zelf de wet
en stilde de toorn van zijn vader.
Door zijn onschuldig sterven
maakte hij dat wij hulp kregen.
Wie nu op hem vertrouwt,
wie bouwt op zijn lijden,
die gaat niet verloren.
De hemel wacht hem
die een waar geloof meebrengt
en zich stevig door Jezus laat omhelzen.


Heer, u kijkt niet naar goede werken,
maar naar de geloofskracht van het hart,
u neemt alleen het geloof aan.
Alleen het geloof rechtvaardigt,
al het andere schijnt te minderwaardig
om ons te kunnen helpen.


Als de wet ons doet zien dat wij zondig zijn,
dan wordt ons geweten bedroefd.
Maar onze troost is
dat wij in het evangelie
meteen weer blij
en verheugd worden:
dat sterkt ons geloof weer.
Wij hopen op de tijd
die Gods goedheid
ons heeft beloofd,
maar waarvan hij ons in zijn wijsheid
het precieze uur heeft verzwegen.
Maar dat aanvaarden wij,
want hij weet wanneer het nodig is,
en hij hoeft ons niet te bedriegen;
wij mogen op hem bouwen
en alleen op hem vertrouwen.


Al lijkt het misschien dat hij het niet wil,
schrik er niet van;
want juist als hij het beste met ons voor heeft,
wil hij dat niet openbaren.
Vertrouw maar meer op zijn woord,
en ook als je hart alleen maar Nee zegt,
vrees dan toch niet.