Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen (BWV 12)


1. SINFONIA

2. KOOR
Weinen, Klagen,
Sorgen, Zagen,
Angst und Not
Sind der Christen Tränenbrot,
Die das Zeichen Jesu tragen.

3. RECITATIEF (A)
"Wir müssen durch viel Trübsal
in das Reich Gottes eingehen."

4. ARIA (A)
Kreuz und Krone sind verbunden,
Kampf und Kleinod sind vereint.
   Christen haben alle Stunden
   Ihre Qual und ihren Feind,
   Doch ihr Trost sind Christi Wunden.

5. ARIA (B)
Ich folge Christo nach,
Von ihm will ich nicht lassen
Im Wohl und Ungemach,
Im Leben und Erblassen.
Ich küsse Christi Schmach,
Ich will sein Kreuz umfassen.
Ich folge Christo nach,
Von ihm will ich nicht lassen.

6. ARIA (T)
Sei getreu, alle Pein
Wird doch nur ein Kleines sein.
Nach dem Regen
Blüht der Segen,
Alles Wetter geht vorbei,
Sei getreu, sei getreu!

7. KORAAL
Was Gott tut, das ist wohlgetan,
Dabei will ich verbleiben,
Es mag mich auf die rauhe Bahn
Not, Tod und Elend treiben,
So wird Gott mich
Ganz väterlich
In seinen Armen halten:
Drum laß' ich ihn nur walten.

.





Wenen, klagen,
bezorgd zijn, vrezen,
angst en nood
zijn het tranenbrood van de christenen
die het teken van Jezus dragen.


'Wij moeten door veel beproevingen
het koninkrijk van God binnengaan.'


Kruis en kroon zijn verbonden,
strijd en kleinood zijn verenigd.
Christenen hebben ieder uur
hun pijn en hun vijand,
maar de wonden van Christus zijn hun troost.


Ik volg Christus na,
ik wil hem niet loslaten
in voor- en tegenspoed,
in leven en in sterven.
Ik kus de smaad van Christus,
ik wil zijn kruis omarmen.
Ik volg Christus na,
ik wil hem niet loslaten.


Wees getrouw, alle pijn
zal toch slechts gering zijn.
Na de regen
bloeit de zegen,
elk onweer gaat voorbij,
wees getrouw, wees getrouw.


Wat God doet, dat is welgedaan,
daar wil ik mij aan houden,
al word ik op het ruwe pad
al jagen nood, dood en ellende
mij ruwe wegen op, God zal mij
heel vaderlijk
in zijn armen houden:
Daarom laat ik hem maar besturen.