Wer da gläubet und getauft wird (BWV 37)


1 Koor

"Wer da gläubet und getauft wird,
der wird selig werden".


2 Aria (tenor)

Der Glaube ist das Pfand der Liebe,
die Jesus für die Seinen hegt.
Drum hat er bloß aus Liebestriebe,
da er ins Lebensbuch mich schriebe,
mir dieses Kleinod beigelegt.


3 Koraal (sopraan en alt)
Herr Gott Vater, mein starker Held!
du hast mich ewig vor der Welt
in deinem Sohn geliebet.
Dein Sohn hat mich ihm selbst vertraut,
er ist mein Schatz, ich bin sein Braut,
sehr hoch in ihm erfreuet.
Eia! Eia!
Himmlisch Leben wird er geben mir dort oben;
ewig soll mein Herz ihn loben.


4 Recitatief (bas)

Ihr Sterblichen, verlanget ihr mit mir
das Antlitz Gottes anzuschauen?
So dürft ihr nicht auf gute Werke bauen;
denn ob sich wohl ein Christ
muß in den guten Werken üben,
weil es der ernste Wille Gottes ist,
so macht der Glaube doch allein,
daß wir vor Gott gerecht und selig sein.


5 Aria (bas)
Der Glaube schafft der Seele Flügel,
daß sie sich in den Himmel schwingt,
die Taufe ist das Gnadensiegel,
das uns den Segen Gottes bringt;
und daher heißt ein selger Christ.
wer gläubet und getaufet ist.


6 Koraal
Den Glauben mir verleihe
an dein' Sohn, Jesum Christ,
mein Sünd mir auch verzeihe
allhier zu dieser Frist.
Du wirst mir nicht versagen,
was du verheißen hast,
daß er mein Sünd tu tragen
und lös mich von der Last.

.



"Wie gelooft en gedoopt wordt,
die zal zalig worden". (Marcus 16:16)



Het geloof is het pand van de liefde,
die Jezus voor de zijnen koestert.
Daarom heeft Hij enkel vanuit een sterk gevoel van liefde,
toen hij mij in het boek des levens schreef,
mij dit kleinood geschonken.



Heer God, mijn vader, mijn sterke held!
Gij hebt mij eeuwig voor de wereld
in Uw zoon lief gehad.
Uw zoon heeft mij aan hem zelf toevertrou­wd,
Hij is mijn schat, ik ben Zijn bruid,
die zich zeer in Hem verblijdt.
Heia! Heia!
Een hemels leven zal Hij mij daar boven geven;
eeuwig moet mijn hart hem loven.



Jullie sterfelijke mensen, verlangen jullie met mij
Gods aangezicht te aanschouwen?
Dan mogen jullie niet vertrouwen op goede werken;
want ofschoon een Christen
zich in de goede werken moet oefenen
omdat het de ernstige wil van God is,
maakt alleen het geloof
dat wij voor God rechtvaardig en zalig zijn.



Het geloof verleent de ziel vleugels,
zodat ze de hemel in vliegt,
de doop is het zegel van de genade,
dat ons Gods zegen brengt;
en daarom wordt een zalig Christen genoemd,
wie gelooft en gedoopt is.



Geef mij het geloof
in Uw zoon, Jezus Chri­stus,
en vergeef mij ook mijn zonden
alhier in deze tijd.
Gij zult mij niet onthouden
wat gij mij hebt beloofd,
dat Hij mijn zonden zal dragen
en mij van de last zal verlossen.