Brich dem Hungrigen dein Brot (BWV39)


DEEL 1


1. Koor
Brich dem Hungrigen dein Brot
und die, so in Elend sind, führe ins Haus!
So du einen nackend siehest, so kleide ihn
und entzeuch dich nicht von deinem Fleisch.
Alsdenn wird dein Licht
herfürbrechen wie die Morgenröte,
und deine Besserung wird schnell wachsen,
und deine Gerechtigkeit wird für dir hergehen,
und die Herrlichkeit des Herrn wird dich zu sich nehmen.


2. Recitatief B
Der reiche Gott wirft seinen Überfluss auf uns,
die wir ohn ihn auch nicht den Odem haben.
Sein ist es, was wir sind;
er gibt nur den Genuss,
Doch nicht, dass uns
allein nur seine Schätze laben.
Sie sind der Probestein, wodurch er macht bekannt,
Dass er der Armut auch die Notdurft ausgespendet,
Als er mit milder Hand,
Was jener nötig ist, uns reichlich zugewendet.
Wir sollen ihm für sein gelehntes Gut
Die Zinsen nicht in seine Scheuren bringen;
Barmherzigkeit, die auf dem Nächsten ruht,
Kann mehr als alle Gab ihm an das Herze dringen.


3. Aria A
Seinem Schöpfer noch auf Erden
Nur im Schatten ähnlich werden,
Ist im Vorschmack selig sein.
Sein Erbarmen nachzuahmen,
Streuet hier des Segens Samen,
Den wir dorten bringen ein.


DEEL 2


4. Aria B
Wohlzutun und mitzuteilen vergesset nicht;
denn solche Opfer gefallen Gott wohl.


5. Aria S
Höchster, was ich habe, ist nur deine Gabe.
Wenn vor deinem Angesicht
Ich schon mit dem meinen
Dankbar wollt erscheinen,
Willt du doch kein Opfer nicht.


6. Recitatief A
Wie soll ich dir, o Herr, denn sattsamlich vergelten,
Was du an Leib und Seel mir hast zugutgetan?
Ja, was ich noch empfang, und solches gar nicht selten,
Weil ich mich jede Stund noch deiner rühmen kann?
Ich hab nichts als den Geist, dir eigen zu ergeben,
Dem Nächsten die Begierd, dass ich ihm dienstbar werd,
Der Armut, was du mir gegönnt in diesem Leben,
Und, wenn es dir gefällt, den schwachen Leib der Erd.
Ich bringe, was ich kann, Herr, lass es dir behagen,
Dass ich, was du versprichst, auch einst davon mög tragen.


7. Koraal
Selig sind, die aus Erbarmen
Sich annehmen fremder Not,
Sind mitleidig mit den Armen,
Bitten treulich für sie Gott.
Die behülflich sind mit Rat,
Auch, womöglich, mit der Tat,
Werden wieder Hülf empfangen
Und Barmherzigkeit erlangen.

.





Breek voor de hongerige uw brood
en neem in huis wie in ellende zijn.
Als u iemand naakt ziet, kleedt hem dan
en onttrek u niet aan uw eigen vlees en bloed.
Dan zal uw licht
doorbreken als het morgenrood
en uw genezing zal snel toenemen,
en uw gerechtigheid zal voor u uitgaan
en de heerlijkheid van de Heer zal u tot zich nemen.



De rijke God werpt ons zijn overvloed toe,
ons die zonder hem niet eens ademen kunnen.
Hem behoren wij toe,
hij geeft ons slechts het vruchtgebruik,
maar niet zo dat zijn schatten
ons alleen maar laven:
ze zijn de toetssteen waarmee hij duidelijk maakt
dat hij ook de armen hun levensbehoeften
schonk toen hij ons met milde hand
rijkelijk toebedeelde wat ieder nodig heeft.
Wij hoeven de opbrengst van zijn
geleende goed niet in zijn schuren te brengen:
de barmhartigheid die wij de naaste betonen
raakt hem meer in het hart dan alle offers.



Om al op aarde een afschaduwing te zijn
van onze Schepper,
is een voorproef van de zaligheid.
Om zijn ontferming na te bootsen
moeten wij hier het zaad van de zegen uitstrooien
dat we ginds zullen oogsten.





Vergeet niet wèl te doen en méé te delen;
want in zulke offers schept God behagen.



Allerhoogste, wat ik heb is niets dan uw gave.
Zelfs wanneer ik dankbaar
met het mijne voor uw aangezicht
zou willen verschijnen,
wenst u toch geen offer.



Hoe zal ik u, o Heer, genoeg vergelden
wat u mij hebt welgedaan naar lichaam en ziel?
Ja, wat ik nog steeds ontvang, en dat niet zelden,
waarvoor ik u elk uur roemen kan?
Ik heb niets dan mijn geest aan u te geven
en aan mijn naaste de wens hem te dienen
en aan de armen wat u mij gegund hebt in dit leven
en, als het u behaagt, dit zwakke aardse lichaam.
Ik breng, Heer, wat ik kan, laat het u behagen
zodat ik eens ontvangen mag wat u belooft.



Zalig zij die uit erbarmen
zich de nood van een ander aantrekken,
die medelijden hebben met de armen
en voor hen tot God bidden.
Die behulpzaam zijn met raad
en zo mogelijk metterdaad,
zullen zelf ook hulp ontvangen
en barmhartigheid ondervinden.