Erfreut euch, ihr Herzen (BWV 66)


1. KOOR
Erfreut euch, ihr Herzen,
entweichet, ihr Schmerzen,
es lebet der Heiland und herrschet in euch.
Ihr könnet verjagen
das Trauren, das Fürchten, das ängstliche Zagen,
der Heiland erquicket sein geistliches Reich.

 

2. RECITATIEF (B)
Es bricht das Grab und damit unsre Not,
der Mund verkündigt Gottes Taten;
der Heiland lebt, so ist in Not und Tod
den Gläubigen vollkommen wohl geraten.

 

3. ARIA (B)
Lasset dem Höchsten ein Danklied erschallen
vor sein Erbarmen und ewige Treu.
Jesus erscheinet, uns Friede zu geben,
Jesus berufet uns, mit ihm zu leben,
täglich wird seine Barmherzigkeit neu!

 

4. RECITATIEF / DUET (T, A)
Hoffnung (T):
Bei Jesu Leben freudig sein
ist unsrer Brust ein heller Sonnenschein.
Mit Trost erfüllt auf seinen Heiland schauen
und in sich selbst ein Himmelreich erbauen,
ist wahrer Christen Eigentum.
Doch weil ich hier ein himmlisch Labsal habe,
so sucht mein Geist hier seine Lust und Ruh,
mein Heiland ruft mir kräftig zu:
„Mein Grab und Sterben bringt euch Leben,
mein Auferstehn ist euer Trost.“
Mein Mund will zwar ein Opfer geben,
mein Heiland, doch wie klein,
wie wenig, wie so gar geringe,
wird es vor dir, o großer Sieger, sein,
wenn ich vor dich ein Sieg- und Danklied bringe.
Hoffnung (T) / Furcht (A):
Mein/Kein Auge sieht den Heiland auferweckt,
es hält ihn nicht/noch der Tod in Banden.
Hoffnung (T):
Wie, darf noch Furcht in einer Brust entstehn?
Furcht (A):
Läßt wohl das Grab die Toten aus?
Hoffnung (T):
Wenn Gott in einem Grabe lieget,
so halten Grab und Tod ihn nicht.
Furcht (A):
Ach Gott! der du den Tod besieget,
dir weicht des Grabes Stein, das Siegel bricht,
ich glaube, aber hilf mir Schwachen,
du kannst mich stärker machen;
besiege mich und meinen Zweifelmut,
der Gott, der Wunder tut,
hat meinen Geist durch Trostes Kraft gestärket,
daß er den auferstandnen Jesum merket.

 

5. ARIA / DUET
Hoffnung (T) / Furcht (A):
Ich furchte nicht/zwar des Grabes Finsternissen
und hoffete/klagete, mein Heil sei nun entrissen.
(beide:)
Nun ist mein Herze voller Trost,
und wenn sich auch ein Feind erbost,
will ich in Gott zu siegen wissen.

 

6. KORAAL
Alleluja! Alleluja! Alleluja!
Des solln wir alle froh sein,
Christus will unser Trost sein.
Kyrie, eleis.

.



Verheug je, o harten,
verdwijn, o smarten,
de Heiland leeft en heerst in jullie.
Jullie kunnen verjagen
het treuren, het vrezen, het angstige schromen,
de Heiland verkwikt zijn geestelijk rijk.

 

 

Het breekt, het graf, en daarmee onze nood,
de mond verkondigt Gods daden;
de Heiland leeft, dus is het in nood en dood
volkomen goed met de gelovigen.

 

 

Laat voor de Hoogste een danklied weerklinken
vanwege zijn ontferming en eeuwige trouw.
Jezus verschijnt om ons vrede te geven,
Jezus roept ons op om met hem te leven,
dagelijks wordt zijn barmhartigheid vernieuwd!

 

 

De hoop:
Verheugd met Jezus leven
is stralende zonneschijn voor ons hart.
Van troost vervuld je Heiland aanschouwen
en in jezelf een hemelrijk bouwen
dat typeert de ware christen.
Maar omdatik hier een hemelse lafenis ontvang,
zoekt mijn geest hier zijn lust en zijn rust,
mijn Heiland roept mij krachtig toe:
'Mijn graf en mijn sterven brengen u leven,
mijn opstanding is uw troost.'
Mijn mond wil wel een offer brengen,
mijn Heiland, maar hoe klein,
hoe weinig en hoe uiterst gering
zal het voor u, o grote overwinnaar, zijn,
als ik u een lied breng van overwinning en dank.
De hoop: /De vrees:
Mijn ogen zien de/geen opgestane Heiland,
de dood houdt hem niet gevangen.
De hoop:
Wat, mag er nog vrees in een hart ontstaan?
De vrees:
Laat het graf soms doden gaan?
De hoop:
Als het God is die in een graf ligt,
dan houden graf en dood hem niet vast.
De vrees:
Ach God! Gij die de dood overwint,
voor u wijkt de grafsteen, het zegel breekt,
ik geloof, maar kom mijn zwakheid te hulp,
u kunt mij sterker maken;
overwin mij en mijn twijfel,
de God die wonderen doet
heeft mijn geest met troostkracht gesterkt,
zodat die let op de opgestane Jezus.

 

 

De hoop / De vrees:
Ik vrees niet/wel de duisternis van het graf
en hoopte/klaagde dat mijn heil mij nu is afgenomen.
(beide:)
Nu is mijn hart vol troost,
en ook al woedt een vijand tegen mij,
in God zal ik kunnen overwinnen.

 

 

Halleluja! Halleluja! Halleluja!
Daarom zullen wij allen vrolijk zijn,
Christus zal onze troost zijn.
Kyrie, eleis.