Du sollt Gott, deinen Herren, lieben (BWV 77)


1. Koor
Du sollt Gott, deinen Herren,
lieben von ganzem Herzen,
von ganzer Seele, von allen Kräften
und von ganzem Gemüte
und deinen Nächsten als dich selbst.

 

2. Recitatief B
So muss es sein!
Gott will das Herz vor sich alleine haben.
Man muss den Herrn von ganzer Seelen
Zu seiner Lust erwählen
Und sich nicht mehr erfreun,
Als wenn er das Gemüte
Durch seinen Geist entzündt,
Weil wir nur seiner Huld und Güte
Alsdenn erst recht versichert sind.

 

3. Aria S
Mein Gott, ich liebe dich von Herzen,
Mein ganzes Leben hangt dir an.
Laß mich doch dein Gebot erkennen
Und in Liebe so entbrennen,
Dass ich dich ewig lieben kann.

 

4. Recitatief T
Gib mir dabei, mein Gott! ein Samariterherz,
Dass ich zugleich den Nächsten liebe
Und mich bei seinem Schmerz
Auch über ihn betrübe,
Damit ich nicht bei ihm vorübergeh
Und ihn in seiner Not nicht lasse.
Gib, dass ich Eigenliebe hasse,
So wirst du mir dereinst das Freudenleben
Nach meinem Wunsch, jedoch aus Gnaden geben.

 

5. Aria A
Ach, es bleibt in meiner Liebe
Lauter Unvollkommenheit!
Hab ich oftmals gleich den Willen,
Was Gott saget, zu erfüllen,
Fehlt mir's doch an Möglichkeit.

 

6. Koraal
Herr, durch den Glauben wohn in mir,
Laß ihn sich immer stärken,
Dass er sei fruchtbar für und für
Und reich in guten Werken;
Dass er sei tätig durch die Lieb,
Mit Freuden und Geduld sich üb.

Dem Nächsten fort zu dienen.

.



Gij zult de Heer, uw God,
liefhebben met heel uw hart,
met heel uw ziel, met heel uw kracht
en met heel uw innerlijk,
en uw naaste als uzelf.

 

 

Zo moet het zijn!
God wil ons hart voor zich alleen hebben.
Men moet de Heer verkiezen
tot zijn vreugde met heel zijn ziel
en zich evenzeer verheugen
als wanneer hij ons binnenste
door zijn Geest doet ontvlammen,
omdat wij van zijn genade en goedheid
pas dan werkelijk verzekerd zijn.

 

 

Mijn God, ik heb u van harte lief,
mijn hele leven is u toegewijd.
Laat mij toch uw gebod onderkennen
en laat mij zodanig in liefde ontbranden,
dat ik u eeuwig kan liefhebben.

 

 

Geef mij daarbij, mijn God, het hart van een Samaritaan,
opdat ik tegelijk de naaste liefheb,
en het mij ook bedroeft
wanneer hij pijn heeft,
opdat ik niet aan hem voorbij ga
en hem aan zijn nood overlaat.
Geef, dat ik zelfzucht haat
dan zult u mij eens het leven in vreugde
schenken naar mijn wens, maar uit genade.

 

 

Ach, in mijn liefde blijft
alles onvolmaakt!
Vaak heb ik wel de wil
om wat God zegt ook werkelijk te doen,
maar ontbreekt het mij toch aan de mogelijkheid.

 

 

Heer, woon door het geloof in mij,
maak dat steeds weer sterk,
zodat het voortdurend vruchtbaar is
en rijk in goede werken;
zodat het werkzaam is door de liefde,
zich oefent in vreugde en geduld
om de naaste te blijven dienen.