Ich hab in Gottes Herz und Sinn (BWV 92)


1. KOOR
Ich hab in Gottes Herz und Sinn
Mein Herz und Sinn ergeben,
Was böse scheint, ist mein Gewinn,
Der Tod selbst ist mein Leben.
Ich bin ein Sohn
Des, der den Thron
Des Himmels aufgezogen;
Ob er gleich schlägt
Und Kreuz auflegt,
Bleibt doch sein Herz gewogen.

 

2. RECITATIEF & KORAAL (B)
Es kann mir fehlen nimmermehr!
Es müssen eh'r
Wie selbst der treue Zeuge spricht,
Mit Prasseln und mit grausem Knallen
Die Berge und die Hügel fallen:
Mein Heiland aber trüget nicht,
Mein Vater muß mich lieben.
Durch Jesu rotes Blut
bin ich in seine Hand geschrieben;
Er schützt mich doch!
Wenn er mich auch gleich wirft ins Meer,
So lebt der Herr auf großen Wassern noch,
Der hat mir selbst mein Leben zugeteilt,
Drum werden sie mich nicht ersäufen.
Wenn mich die Wellen schon ergreifen
Und ihre Wut mit mir zum Abgrund eilt,
So will er mich nur üben,
Ob ich an Jonam werde denken,
Ob ich den Sinn mit Petro auf ihn werde lenken.
Er will mich stark im Glauben machen,
Er will vor meine Seele wachen
Und mein Gemüt,
Das immer wankt und weicht
in seiner Güt,
Der an Beständigkeit nichts gleicht,
Gewöhnen fest zu stehen.
Mein Fuß soll fest
Bis an der Tage letzten Rest
Sich hier auf diesen Felsen gründen.
Halt ich denn Stand,
Und lasse mich in felsenfesten Glauben finden,
Weiß seine Hand,
Die er mir schon vom Himmel beut,
zu rechter Zeit
Mich wieder zu erhöhen.

 

3. ARIA (T)
Seht, seht! wie reißt, wie bricht, wie fällt,
Was Gottes starker Arm nicht hält.
Seht aber fest und unbeweglich prangen,
Was unser Held mit seiner Macht umfangen.
Laßt Satan wüten, rasen, krachen,
Der starke Gott wird uns unüberwindlich machen.

 

4. KORAAL (A)
Zudem ist Weisheit und Verstand
Bei ihm ohn alle Maßen,
Zeit, Ort und Stund ist ihm bekannt,
Zu tun und auch zu lassen.
Er weiß, wenn Freud, er weiß, wenn Leid
Uns, seinen Kindern, diene,
Und was er tut, ist alles gut,
Ob's noch so traurig schiene.

 

5. RECITATIEF (T)
Wir wollen nun nicht länger zagen
Und uns mit Fleisch und Blut,
Weil wir in Gottes Hut,
So furchtsam wie bisher befragen.
Ich denke dran, wie Jesus nicht gefürcht'
das tausendfache Leiden;
Er sah es an
Als eine Quelle ewger Freuden.
Und dir, mein Christ,
Wird deine Angst und Qual,
dein bitter Kreuz und Pein
Um Jesu willen Heil und Zucker sein.
Vertraue Gottes Huld
Und merke noch, was nötig ist:
Geduld! Geduld!

 

6. ARIA (B)
Das Brausen / Stürmen von den rauhen Winden
Macht, daß wir volle Ähren finden.
Des Kreuzes Ungestüm
schafft bei den Christen Frucht,
Drum laßt uns alle unser Leben
Dem weisen Herrscher ganz ergeben.
Küßt seines Sohnes Hand,
verehrt die treue Zucht.

 

7. KORAAL & RECITATIEF (S, A, T, B)
Ei nun, mein Gott,
so fall ich dir Getrost in deine Hände.
(B) So spricht der gottgelaßne Geist,
Wenn er des Heilands Brudersinn
Und Gottes Treue gläubig preist.
Nimm mich, und mache es mit mir
Bis an mein letztes Ende.
(T) Ich weiß gewiß,
Daß ich ohnfehlbar selig bin,
Wenn meine Not und mein Bekümmernis
Von dir so wird geendigt werden:
Wie du wohl weißt, daß meinem Geist
Dadurch sein Nutz entstehe,
(A) Daß schon auf dieser Erden,
Dem Satan zum Verdruß,
Dein Himmelreich sich in mir zeigen muß
Und deine Ehr je mehr und mehr
Sich in ihr selbst erhöhe,
(S) So kann mein Herz nach deinem Willen
Sich, o mein Jesu, selig stillen,
Und ich kann bei gedämpften Saiten
Dem Friedensfürst ein neues Lied bereiten.

 

8. ARIA (S)
Meinem Hirten bleib ich treu.
Will er mir den Kreuzkelch füllen,
Ruh ich ganz in seinem Willen,
Er steht mir im Leiden bei.
Es wird dennoch, nach dem Weinen,
Jesu Sonne wieder scheinen.
Meinem Hirten bleib ich treu.
Jesu leb ich, der wird walten,
Freu dich, Herz, du sollst erkalten,
Jesus hat genug getan.
Amen: Vater, nimm mich an!

 

9. KORAAL
Soll ich denn auch des Todes Weg
Und finstre Straße reisen,
Wohlan! ich tret auf Bahn und Steg,
Den mir dein Augen weisen.
Du bist mein Hirt, der alles wird
Zu solchem Ende kehren,
Daß ich einmal in deinem Saal
Dich ewig möge ehren.

.



Ik heb aan Gods hart en ziel
mijn hart en ziel overgegeven;
wat kwaad lijkt, is voor mij winst,
zelfs de dood is voor mij leven.
Ik ben een zoon
van hem die de troon
des hemels heeft opgericht;
ook al slaat hij
en legt hij een kruis op,
toch blijft zijn hart goedgunstig.

 

 

Het zal mij nooit aan iets ontbreken!
Nog eerder zullen,
zoals de getrouwe getuige zelf zegt,
met gedruis en angstaanjagend kabaal
de bergen en heuvels ineenstorten:
mijn Heiland is betrouwbaar,
mijn Vader heeft mij lief.
Door Jezus’ rode bloed
ben ik in zijn hand geschreven;
hij beschermt mij zeker!
Al werpt hij mij ook in de zee,
ook daar op de grote wateren leeft hij,
de Heer, die mij zelf het leven heeft toebedeeld –
daarom zullen ze mij niet verzwelgen.
Ook al grijpen de golven mij vast
en sleurt hun woede mij mee de afgrond in,
hij wil mij alleen maar beproeven,
of ik aan Jona zal denken,
en of ik met Petrus mij helemaal op hém zal richten.
Hij wil mij sterken in ’t geloof,
hij wil waken voor mijn ziel;
en mijn gemoed,
dat almaar wijkt en wankelt,
wil hij in zijn goedheid
– in bestendigheid ongeëvenaard –
eraan wennen standvastig te zijn.
Mijn voet zal vast
tot aan het laatst der dagen
op deze rots verankerd zijn.
Als ik zo stand houd
en mij in rotsvast geloof laat vinden,
dan weet zijn hand,
die hij mij vanuit de hemel al toesteekt,
te rechter tijd
mij weer op te richten.

 

 

Zie! Hoe scheurt, hoe breekt, hoe valt,
wat Gods sterke arm niet vasthoudt.
Maar zie hoe vast en onbeweeglijk straalt
wat onze held met zijn macht omvat.
Laat Satan maar woeden, razen, beuken
de sterke God zal ons onoverwinnelijk maken.

 

 

Daarnaast zijn wijsheid en verstand
bij hem oneindig groot;
tijd, plaats en uur zijn hem bekend,
waarop gedaan moet worden en gelaten.
Hij weet wanneer vreugde, wanneer leed
goed voor ons, zijn kinderen, is.
En wat hij doet, ’t is alles goed,
al schijnt het nog zo treurig.

 

 

Wij willen nu niet langer bang zijn,
en omdat we in Gods hoede zijn,
zullen we ons niet meer met vlees en bloed
even angstig zorgen maken als we tot nu toe deden
Ik denk eraan hoe Jezus
het duizendvoudig lijden niet heeft gevreesd;
hij zag het
als een bron van eeuwige vreugde.
En voor jou, mijn christen,
zal je angst en smart,
je bittere kruis en pijn
om Jezus’ wil heil en zoetheid zijn.
Vertrouw op Gods liefdevolle zorg
en onthoud alleen dat, wat nodig is:
Geduld! Geduld!

 

 

Het razen van de ruwe winden
is oorzaak dat wij volle aren vinden.
De onstuimigheid van het kruis
brengt bij de christenen vrucht voort;
laten wij daarom allen ons leven
geheel aan de wijze heerser overgeven.
Kus de hand van zijn Zoon,
houd hoog de trouw.

 

 

Nu val ik, mijn God,
getroost in uw handen.
Zo spreekt de ziel die in God rust
Wanneer hij Jezus' broederlijke gezindheid
en Gods trouw gelovig prijst.
Neem mij, en ga uw weg met mij
tot aan mijn laatste dag.
Ik weet beslist
dat ik ongetwijfeld zalig ben
wanneer aan mijn nood en mijn verdriet
door u zo een eind wordt gemaakt:
Gij weet wel, dat het mijn geest
tot voordeel strekt,
dat reeds op deze aarde,
tot ongenoegen van de satan,
uw hemelrijk zich in mij openbaart
en uw eer meer en meer
zich in zichzelf verheft.
Zo kan mijn hart naar uw wil
o mijn Jezus, weldadig tot rust komen;
en ik kan met ingetogen snarenspel
de Vredevorst een nieuw lied toezingen.

 

 

Mijn Herder blijf ik trouw.
Als hij voor mij de lijdensbeker wil vullen,
dan berust ik geheel in zijn wil:
hij staat mij in het lijden bij.
Na het wenen zal toch immers
Jezus’ zon weer schijnen.
Mijn Herder blijf ik trouw.
Voor Jezus leef ik, hij zal heersen.
Verheug je, hart, ook al moet je sterven
Jezus heeft genoegdoening gegeven.
Amen: Vader, neem mij aan!

 

 

Ook al zal ik de tocht moeten maken
langs de duistere weg van de dood,
welaan! ik zet mijn voeten op de weg en het pad,
die uw ogen mij wijzen.
U bent mijn Herder, die alles
tot zo’n einde zal brengen,
dat ik eenmaal in uw paleis
u eeuwig mag eren.