MAGNIFICAT BWV 243


(Nova Vulgata)

Magnificat anima mea Dominum
Et exsultavit spiritus meus
in Deo salutari [Salvatore] meo.
Quia respexit humilitatem ancillæ suæ:
ecce enim ex hoc beatam me dicent omnes generationes.
Quia fecit mihi magna
qui potens est, et sanctum nomen eius.
Et misericordia eius a progenie in progenies [in progenies et progenies]
timentibus eum.
Fecit potentiam in bracchio suo,
dispersit superbos mente cordis sui.
Deposuit potentes de sede
et exaltavit humiles.
Esurientes implevit bonis
et divites dimisit inanes,
Suscepit Israel puerum suum
recordatus misericordiæ suæ,[recordatus misericordiae,]
Sicut locutus est ad patres nostros,
Abraham et semini eius in sæcula.

.


(Statenvertaling, herziene online versie)

Mijn ziel maakt groot den Heere;
En mijn geest verheugt zich
in God, mijn Zaligmaker;
Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien;
want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.
Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij,
Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.
En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen,
die Hem vrezen.
Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm;
Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.
Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken,
en nederigen heeft Hij verhoogd.
Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld;
en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen,
opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.
(Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen,
namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid.