Vijf motetten op. 37

3. A Hymn to God the Father

Tekst: John Donne

Wilt thou forgive that sinne where I begunne,
Which is my sinne, though it were done before?
Wilt thou forgive those sinnes, through which I runne, 
And do run still: though still I do deplore?
When thou hast done, thou hast not done,
For, I have more.

 

Will thou forgive that sinne by which I’have wonne
Others to sinne? And made my sinne their doore?
Wilt thou forgive that sinne which I did shunne
A yeare or two, but wallowed in a score?
When thou hast done, thou hast not done,
For, I have more.

 

I have a sinne of feare, that when I have spunne 
My last thred, I shall perish on the shore:
Sweare by thyself that at my death thy sonne
Shall shine as he shines now and heretofore;
And having done that, thou hast done,
I feare no more.

.

Een hymne aan God de Vader

.

Wilt gij die zonde waarvandaan ik begon vergeven ,
Die mijn zonde is, hoewel die eerder werd begaan?
Wilt gij die zonden vergeven, waarin ik volhard,
En nog steeds volhard: hoewel ik steeds  berouw?
Wanneer gij dat gedaan hebt, is het nog niet gedaan,
Want ik heb meer.

 

Wilt gij de zonde vergeven waarmee ik anderen overhaalde
Te zondigen? En met mijn zonde de deur naar de hunne opende?
Wilt gij die zonde vergeven die ik een jaar of twee
Heb geschuwd, maar waarin ik vervolgens heb gezwolgen?
Wanneer gij dat gedaan hebt, is het nog niet gedaan,
Want ik heb meer.

 

Ik heb een zonde uit vrees, dat wanneer ik mijn laatste draad
Heb gesponnen, ik op de kust zal vergaan:
Zweer bij uzelf, dat bij mijn dood uw zoon
Zal schijnen zoals hij nu schijnt en tot nu toe heeft geschenen;
En als gij dat gedaan hebt, dan is het gedaan,
Dan vrees ik niet meer.